| 4. Het voetbaltechnische beleid. |
|
4. Het voetbaltechnische beleid. Opstelling en speelwijze s.v. Leunen – jeugd. De jeugdteams gaan spelen vanuit een 4 : 3 : 3 opstelling die gemakkelijk kan overgaan in een 3 : 4 : 3 speelwijze. Dit is afhankelijk van de tegenstander, de stand en het tijdstip in de wedstrijd. Met een 4 : 3 : 3 opstelling is elke positie op het veld bezet. Tevens is deze opstelling gemakkelijk uit te leggen en te begrijpen. Opbouw / aanvallend Het opbouwen van achteruit door de doelverdediger gebeurt zo veel mogelijk door de bal al rollende of gooiende in het spel te brengen deze ballen zijn vaak gemakkelijker aan te nemen. Op het moment dat de doelverdediger de bal heeft, moet door de links en rechts achter vrijgelopen worden naar de zijkanten. De 2 centrumverdedigers dienen ver uit elkaar te gaan, zodat de spits van de tegenstander moet kiezen. Als al deze spelers niet aanspeelbaar zijn komt er zeker iemand op het middenveld vrij die wel aanspeelbaar is. Via verzorgd positiespel worden de spitsen ingeschakeld, waarbij de buitenspelers hun acties (met en zonder bal) ondernemen vanaf de zijlijn. In principe via de vleugels aanvallen en vanaf de achterlijn de bal voorgeven op een van je medespelers. De buitenspeler heeft dan de keuze uit de spits die naar de 1e paal loopt, of hij geeft de bal over iedereen heen op de inkomende andere buitenspeler of legt de bal terug naar de 16m lijn voor de inkomende middenvelder(s). Verdedigend In de achterhoede en het middenveld heeft iedereen een directe tegenstander, behalve de vrije verdediger. De opkomende extra speler, van de tegenstander, wordt opgevangen door de vrije verdediger. Alle spelers dienen zich op het moment dat de tegenstander in balbezit is, tussen de tegenstander en eigen doel te bevinden. Op het moment dat jou directe tegenstander de bal krijgt, ga je er zo snel mogelijk naar toe en blijft er in eerste instantie ongeveer 1 m vanaf. Blijf verdedigend tussen de tegenstander en je eigen doel meelopen om zo je eigen tegenstander tot breedte spel te dwingen of als hij de bal niet goed afschermt de bal af te pakken. Als team heb je op deze manier veel kans om de foutieve pass van de tegenstander te onderscheppen, of het schot op doel te blokkeren. Ga geen directe duels aan op het moment dat je tegenstander de bal krijgt. Neem in eerste instantie een afwachtende houding aan of zorg dat je veel eerder bij de bal bent dan je tegenstander. Deze houding bespaart je gele en rode kaarten en tevens blessureleed voor jou en je tegenstander. Vaardig- / bekwaamheden diverse leeftijdscategorieën aan het einde van de betreffende periode F-team 1. Kennis van positie op het veld: • weten wat voor, midden, achter links en rechts is • kunnen verdedigen en aanvallen 2. Trappen / passen van de bal: • de bal met binnenkant voet kunnen spelen, dit technisch weten en kunnen. 3. Aan- en meenemen van de bal: • met de bal kunnen dribbelen 4. Positiespel: • weten dat je vrij moet lopen 5. Koppen: • niet beoefenen 6. Duel: • afpakken van de bal 7. Spelregels: • weten wanneer de bal uit is, hoekschop, overtreding wordt gemaakt. • weten hoe je moet ingooien 8. Verdere opmerkingen: • spelvreugde is het belangrijkste bij de F-speler E-team 1. Kennis van positie op het veld: • weten welke positie’s er zijn en weten wat/waar moet gebeuren • regelmatig op ’n andere positie laten spelen 2. Trappen/passen van de bal: • L en R met binnenkant voet kunnen plaatsen over afstand van ongeveer 10m • met de wreef kunnen trappen 3. Aan- en meenemen van de bal: • zorgen dat je de bal onder controle hebt en houdt • met het zwakkere been de bal kunnen aannemen en met het andere been b.v. kunnen schieten of in ‘n andere richting verder dribbelen 4. Positiespel: • weten waar de vrije ruimte is en dan ook benutten • vragen om de bal als hij vrij loopt 5. Koppen: • durven koppen 6. Duel: • durven aan te gaan met de wil om te winnen • weten hoe hij de bal af moet schermen 7. Spelregels: • hoeft niet alle spelregels te kennen,echter wel wanneer de bal in of uit is en wanneer een vrije trap dus de grove dingen D-team 1. Kennis van positie op het veld: • weten waar hij moet spelen en wat hij daar moet doen 2. Trappen/passen van de bal: • binnenkant voet 20 m de bal kunnen plaatsen met de juiste techniek • ze hebben nog te weinig kracht om met de wreef te trappen 3. Aan- en meenemen van de bal: • de bal zodanig aannemen zodat hij meteen doorgespeeld kan worden 4. Positiespel: • veel geoefend hebben in positiespelen zodat ze weten hoe ze de ruimte’s kunnen gebruiken 5. Koppen: • durven koppen 6. Duel: • niet bang zijn om ’n duel aan te gaan 7. Spelregels: • spelregels kennen (inclusief buitenspel) C-team 1. Kennis van positie op het veld: • weten wat er op positie’s waar hij vaak speelt moet doen • positieovername in het veld 2. Trappen/passen van de bal: • op het juiste moment en op de juiste plaats een bal kunnen passen zodat de andere speler er meteen iets mee kan doen • met de wreef ’n pass kunnen geven van 25 m 3. Aan- en meenemen van de bal: • de bal zodanig aannemen dat hij meteen verder gespeeld kan worden • coachen van medespelers i.v.m. de balaanname 4. Positiespel: • inzicht hebben hoe en waar je moet vrijlopen • spelen vanuit je eigen positie op het veld 5. Koppen: • kopduel aan durven gaan • gerichte kopbal kunnen geven 6. Duel: • willen winnen zowel verdedigend als aanvallend 7. Spelregels: • spelregels kennen B-team 1. Kennis van positie op het veld: • spelinzicht 2. Trappen/passen van de bal: • plaatsen met l en r in de loop van de speler • wreeftrap l en r van 25m 3. Aan- en meenemen van de bal: • aan en meenemen met l en r en de bal zodanig klaarleggen dat je meteen kunt doorspelen of afwerken op doel 4. Positiespel: • ruimte benutten • elkaar coachen tijdens het positiespel 5. Koppen: • kopduel aandurven 6. Duel: • durven 7. Spelregels: • spelregels kennen 8. Verdere opmerkingen: • respect voor leiding A-team 1. Kennis van positie op het veld: • op verschillende positie’s in het elftal kunnen spelen 2. Trappen/passen van de bal: • passen l en r over ’n afstand van 25m 3. Aan- en meenemen van de bal: • l en r beheersen 4. Positiespel: • verbeteren door van 3 naar 2x raken te gaan zodat het sneller gaat 5. Koppen: • moeten ze kunnen 6. Duel: • moeten ze beheersen 7. Spelregels: • moeten ze kennen 8. Verdere opmerkingen: • respect voor leiding Doelverdediger C-jeugd 1. Opstelling: • hij moet in het verlengde van de bal staan • altijd op tenen staan (snellere reactie) 2. Trappen/passen van de bal: • geconcentreerd een goeie uittrap kunnen nemen en al een redelijke dropkick • doeltrap van ongeveer 25m kunnen nemen • meevoetballend een nauwkeurige pass mee kunnen geven aan ’n medespeler 3. Vangen / gooien: • de techniek van lage en hoge ballen pakken beheersen • techniek van uitrollen en de bovenhandse worp goed in de richting medespeler kunnen spelen 4. Positiespel: • met meevoetballen goed aanbieden en afspelen 5. Voortzeting spel: • een goede trap hebben, zeker met 1 been 6. Medespelers coachen: • steeds blijven coachen duidelijk zijn naar medespelers toeOpstelling en speelwijze s.v. Leunen – jeugd. De jeugdteams gaan spelen vanuit een 4 : 3 : 3 opstelling die gemakkelijk kan overgaan in een 3 : 4 : 3 speelwijze. Dit is afhankelijk van de tegenstander, de stand en het tijdstip in de wedstrijd. Met een 4 : 3 : 3 opstelling is elke positie op het veld bezet. Tevens is deze opstelling gemakkelijk uit te leggen en te begrijpen. Opbouw / aanvallend Het opbouwen van achteruit door de doelverdediger gebeurt zo veel mogelijk door de bal al rollende of gooiende in het spel te brengen deze ballen zijn vaak gemakkelijker aan te nemen. Op het moment dat de doelverdediger de bal heeft, moet door de links en rechts achter vrijgelopen worden naar de zijkanten. De 2 centrumverdedigers dienen ver uit elkaar te gaan, zodat de spits van de tegenstander moet kiezen. Als al deze spelers niet aanspeelbaar zijn komt er zeker iemand op het middenveld vrij die wel aanspeelbaar is. Via verzorgd positiespel worden de spitsen ingeschakeld, waarbij de buitenspelers hun acties (met en zonder bal) ondernemen vanaf de zijlijn. In principe via de vleugels aanvallen en vanaf de achterlijn de bal voorgeven op een van je medespelers. De buitenspeler heeft dan de keuze uit de spits die naar de 1e paal loopt, of hij geeft de bal over iedereen heen op de inkomende andere buitenspeler of legt de bal terug naar de 16m lijn voor de inkomende middenvelder(s). Verdedigend In de achterhoede en het middenveld heeft iedereen een directe tegenstander, behalve de vrije verdediger. De opkomende extra speler, van de tegenstander, wordt opgevangen door de vrije verdediger. Alle spelers dienen zich op het moment dat de tegenstander in balbezit is, tussen de tegenstander en eigen doel te bevinden. Op het moment dat jou directe tegenstander de bal krijgt, ga je er zo snel mogelijk naar toe en blijft er in eerste instantie ongeveer 1 m vanaf. Blijf verdedigend tussen de tegenstander en je eigen doel meelopen om zo je eigen tegenstander tot breedte spel te dwingen of als hij de bal niet goed afschermt de bal af te pakken. Als team heb je op deze manier veel kans om de foutieve pass van de tegenstander te onderscheppen, of het schot op doel te blokkeren. Ga geen directe duels aan op het moment dat je tegenstander de bal krijgt. Neem in eerste instantie een afwachtende houding aan of zorg dat je veel eerder bij de bal bent dan je tegenstander. Deze houding bespaart je gele en rode kaarten en tevens blessureleed voor jou en je tegenstander. Vaardig- / bekwaamheden diverse leeftijdscategorieën aan het einde van de betreffende periode F-team 1. Kennis van positie op het veld: • weten wat voor, midden, achter links en rechts is • kunnen verdedigen en aanvallen 2. Trappen / passen van de bal: • de bal met binnenkant voet kunnen spelen, dit technisch weten en kunnen. 3. Aan- en meenemen van de bal: • met de bal kunnen dribbelen 4. Positiespel: • weten dat je vrij moet lopen 5. Koppen: • niet beoefenen 6. Duel: • afpakken van de bal 7. Spelregels: • weten wanneer de bal uit is, hoekschop, overtreding wordt gemaakt. • weten hoe je moet ingooien 8. Verdere opmerkingen: • spelvreugde is het belangrijkste bij de F-speler E-team 1. Kennis van positie op het veld: • weten welke positie’s er zijn en weten wat/waar moet gebeuren • regelmatig op ’n andere positie laten spelen 2. Trappen/passen van de bal: • L en R met binnenkant voet kunnen plaatsen over afstand van ongeveer 10m • met de wreef kunnen trappen 3. Aan- en meenemen van de bal: • zorgen dat je de bal onder controle hebt en houdt • met het zwakkere been de bal kunnen aannemen en met het andere been b.v. kunnen schieten of in ‘n andere richting verder dribbelen 4. Positiespel: • weten waar de vrije ruimte is en dan ook benutten • vragen om de bal als hij vrij loopt 5. Koppen: • durven koppen 6. Duel: • durven aan te gaan met de wil om te winnen • weten hoe hij de bal af moet schermen 7. Spelregels: • hoeft niet alle spelregels te kennen,echter wel wanneer de bal in of uit is en wanneer een vrije trap dus de grove dingen D-team 1. Kennis van positie op het veld: • weten waar hij moet spelen en wat hij daar moet doen 2. Trappen/passen van de bal: • binnenkant voet 20 m de bal kunnen plaatsen met de juiste techniek • ze hebben nog te weinig kracht om met de wreef te trappen 3. Aan- en meenemen van de bal: • de bal zodanig aannemen zodat hij meteen doorgespeeld kan worden 4. Positiespel: • veel geoefend hebben in positiespelen zodat ze weten hoe ze de ruimte’s kunnen gebruiken 5. Koppen: • durven koppen 6. Duel: • niet bang zijn om ’n duel aan te gaan 7. Spelregels: • spelregels kennen (inclusief buitenspel) C-team 1. Kennis van positie op het veld: • weten wat er op positie’s waar hij vaak speelt moet doen • positieovername in het veld 2. Trappen/passen van de bal: • op het juiste moment en op de juiste plaats een bal kunnen passen zodat de andere speler er meteen iets mee kan doen • met de wreef ’n pass kunnen geven van 25 m 3. Aan- en meenemen van de bal: • de bal zodanig aannemen dat hij meteen verder gespeeld kan worden • coachen van medespelers i.v.m. de balaanname 4. Positiespel: • inzicht hebben hoe en waar je moet vrijlopen • spelen vanuit je eigen positie op het veld 5. Koppen: • kopduel aan durven gaan • gerichte kopbal kunnen geven 6. Duel: • willen winnen zowel verdedigend als aanvallend 7. Spelregels: • spelregels kennen B-team 1. Kennis van positie op het veld: • spelinzicht 2. Trappen/passen van de bal: • plaatsen met l en r in de loop van de speler • wreeftrap l en r van 25m 3. Aan- en meenemen van de bal: • aan en meenemen met l en r en de bal zodanig klaarleggen dat je meteen kunt doorspelen of afwerken op doel 4. Positiespel: • ruimte benutten • elkaar coachen tijdens het positiespel 5. Koppen: • kopduel aandurven 6. Duel: • durven 7. Spelregels: • spelregels kennen 8. Verdere opmerkingen: • respect voor leiding A-team 1. Kennis van positie op het veld: • op verschillende positie’s in het elftal kunnen spelen 2. Trappen/passen van de bal: • passen l en r over ’n afstand van 25m 3. Aan- en meenemen van de bal: • l en r beheersen 4. Positiespel: • verbeteren door van 3 naar 2x raken te gaan zodat het sneller gaat 5. Koppen: • moeten ze kunnen 6. Duel: • moeten ze beheersen 7. Spelregels: • moeten ze kennen 8. Verdere opmerkingen: • respect voor leiding Doelverdediger C-jeugd 1. Opstelling: • hij moet in het verlengde van de bal staan • altijd op tenen staan (snellere reactie) 2. Trappen/passen van de bal: • geconcentreerd een goeie uittrap kunnen nemen en al een redelijke dropkick • doeltrap van ongeveer 25m kunnen nemen • meevoetballend een nauwkeurige pass mee kunnen geven aan ’n medespeler 3. Vangen / gooien: • de techniek van lage en hoge ballen pakken beheersen • techniek van uitrollen en de bovenhandse worp goed in de richting medespeler kunnen spelen 4. Positiespel: • met meevoetballen goed aanbieden en afspelen 5. Voortzeting spel: • een goede trap hebben, zeker met 1 been 6. Medespelers coachen: • steeds blijven coachen duidelijk zijn naar medespelers toe |
